TERUG NAAR START
Justus de Nobelaer
GeslachtMan
Leeftijd± 70 jaar
 
Geboren± 1615teDen Haag
Overleden1-12-1685teEtten
Vader Cornelis Zachariaszn de Nobelaer
 Geboren 1580
 Overleden 5-4-1655
Moeder Anna Stalpert van der Wiele
 
 
Broer  Henricus *12-2-1602
Broer  Daniel *6-12-1604
Broer  Cornelis *1605
Zus  Maria *± 1610
Zus  Balthazarina *1617
Broer  Johan *1618
 
Huwelijk 12-5-1637 te Leiden
 
metTheodora Jansdr van der Graft
 Begraven3-6-1653
NotitiesWoonde op het ouderlijk adres in de Bredestraet te Leiden.
Kinderen  Cornelis Justusz
Jan Louis
Notities persoon Hij was Heer van Burgst en Grijsoord. Deze had hij geerfd van zijn vader. Justus kwam uit een steenrijke katholieke familie te Den Haag. Hij is in het bezit van een wapen. Zijn vader had 16 april 1630 een omwaterd landhuis met bijbehorende landerijen in Etten gekocht van Christoffel van Etten en Justus woonde/verbleef in Etten sinds 1665. Hij deed veel voor de katholieke zielszorg en de sociale omstandigheden van de plaatselijke bevolking. Volgens de Haagse Cohieren van 1674 had hij een vermogen van f112.000 en woonde hij in Het Kerckhoff, zuydt te Den Haag. Volgens de Leidse Lasten van 1674 werd op zijn naam een aanslag opgelegd en het vermogen was f117000 en voor de kinderen werd een vermogen van f 137000 vastgesteld. Zijn woning "Huis De Nobelaer" was een wellust voor het oog zowel van binnen als er buiten. (Zie "Huis de Nobelaer")

Justus was ook een kunstliefhebber en deed daarom een verzoek aan de Bredase kunstschilder N.Steenwijk om een schilderij voor hem te maken. Maar helaas kwam het er niet van. ( Klik op de naam van de kunstschilder voor het relaas hierover )

Hij is nimmer gehuwd geweest met Beatrix van Heussen, zoals beweerd wordt. Zij had bij codicile op 19 mei 1647 te Leiden bepaald: Indien haar dochter kinderloos zou overlijden, een bedrag van 25000 gulden en de opbrengst van haar landerijen te Noordwijk, Noorwijkerhout en Voorhout bestemd waren voor het bouwen van een hofje voor dertien arme vrouwen en het onderhoud ervan. Zijn zoon Jan Louis, die de opdracht hiervoor had gekregen was reeds op dat moment overleden. Hij nam deze taak van hem over en hij liet het Paulushofje op eigen grond bouwen aan de Markt te Etten. Hij bouwde echter een hofje met zestien huisjes in de plaats van dertien huisjes. Justus was vicaris van 1681 t/m 1685.

Boven de ingang van het Paulushofje is een steen met de navolgende tekst:
Ter eeren Godts en van Godts uytverkoren Vat
Sint Paulus, tot gebruyck van dertien arme vrouwen
Hr. Joost de Nobelaer dit Godtshuis heeft doen bouwen
Gelijck Vrouw Beatrix van Heussen eertijds hadt
Sijn soon Heer Jan Louis belast bij codicilie
Die sijnde door de doodt van dat te doen belet,
Voldeed sijn vader dus aan beyder goede wille
En gaf de grondt van ’t sijn, daarop is geset


Justus had als grote hobby het zaaien, mesten, kweken en begieten van uitheemse bomen en planten in ons Nederlands koud klimaat. Zijn tuin en orangerie genoot grote bekendheid.

Het kasteel en het Paulushofje werd in 1685 geerfd door de kinderen van zijn achterneef Willem de Nobelaer. De zoon Justus van Willem de Nobelaer erfde het Paulushofje, maar was op dat moment nog minderjarig. Zijn moeder deed de beheerstaak als voogd.

 

Notities overlijdenHij is begraven in de kerk naast het gemeentehuis te Etten. In de “Beschrijving van de Vrije Heerlijkheid Etten, Leur en Sprundel” schrijft Pieter Nuyts hier het volgende over: “Behalve die van de oud-secretaris Johan Dirven en schepen dijkgraaf en stokhouder Pieter Dirven, heeft in 1672 ook de edele heer Justus de Nobelaer, heer van Burgst en Grijsoord, in het verlengde van de eerst genoemde, op de plaats waar nu de preekstoel staat, een zeer fraaie kelder als begraafplaats laten maken met vooralsnog alleen maar het opschrift: OSTIUM MONUMENTI (toegang tot de grafkelder)

Omstreeks 1680 besloot de kerkenraad de vloer, die in slechte staat verkeerde, te repareren. Dit kwam de erfgenaam Roelof van Arkel, een zoon van de zuster Maria van Justus de Nobelaer, ter ore. Van hem bevindt zich een brief in het archief waarvan het begin luidt: “Bij verlijden van Saliger mijnheer ende oom Justus de Nobelaeris mijn als eenich universeel erfgenaam aenkomstich en toebehoorende seekere gemetselde graftkelder in de kerk op de hoge Choor, en also niet geernes oude sien, dat hetselve bij imant weerde ge´nuardeert ofte gebruickt buyten mijnenen de weten”.
Hij verzoekt voorzieningen te treffen, dat de grafkelder in goede staat blijft en niet zonder zijn medeweten wordt geopend.

Mensen, die bij de restauratie van de kerk in 1957 betrokken waren, bevestigen dat de grafkelder nog in goede staat verkeerde. Zij bestond uit vier gemetselde muren, waarop de grafsteen was gelegd. Op de bodem van het graf bevonden zich de skeletten van drie personen.